Een tijdje terug stond er een groot stuk over de positieve psychologie in De Pers. Hoewel het artikel een mooi overzicht geeft van de vooruitgang die er in dit vrij nieuwe vakgebied geboekt wordt, kan de auteur het niet laten om met een kritische noot af te sluiten. Hij stelt dat gelukswetenschappers vaak vanuit hun eigen ervaring redeneren en dat er geen causale verbanden zijn aangetoond in geluksonderzoek. Beide punten van kritiek zijn volstrekt onjuist.

Het staat je vrij om eens te snuffelen in de Nederlandse World Database of Happiness. Daar zul je zien dat het onderzoek uit de positieve psychologie is gebaseerd op internationale data van honderdduizenden respondenten (dus niet op de ervaring van de wetenschappers) en daar zit gerust ook experimenteel onderzoek bij (dat inzicht geeft in causale verbanden).

Ik zal hier verder niet inhoudelijk op die fouten ingaan. Het gaat over de boodschap die de auteur met de kritiekpunten wil overbrengen: “Denk niet dat ik dit geluksgedoe serieus neem, uiteindelijk blijft het allemaal feelgood gezwets. Ik weet heus beter!” Dit artikel gaat over die neiging van de serieuze journalistiek (vergeef me dat ik De Pers daar onder schaar. Over de doden niets dan goeds zullen we maar zeggen) om uiterst kritisch te staan tegenover zelfhulp, coaching, persoonlijke ontwikkeling en alle andere vormen waarin het streven naar geluk tot uiting komt. Geluk, zo lijkt het idee, is voor de dommen.

Aan filosofen heb je ook niks

De oorsprong van deze scepsis valt overigens goed te begrijpen. Het denken, of eigenlijk ‘het praten’, over deze onderwerpen wordt in Nederland de laatste jaren gedomineerd door stemmen die voor iedereen met een gezond stel hersenen niet serieus te nemen zijn. Denk aan de entertrainingen van Emile Ratelband, New Age boeken als De Celestijnse Belofte en spirituele tijdschriften als Happinez (waar het weblog kloptdatwel prachtige recensies over schrijft).

De enige denkers over het goede leven die nog enigszins serieus genomen worden zijn filosofen. Zij schrijven diepgravende analyses over wat er allemaal mis is met het volk. Van hen hoeven we qua oplossingen echter weinig te verwachten. Je zou wat dat betreft kunnen zeggen dat het probleem van filosofen is dat ze filosofen zijn. Aangezien ze zelf vooral denkende wezens zijn, verwachten ze dat andere mensen dat ook zijn. Daarom zien ze hun analyse van het probleem gelijk ook als de oplossing van dat probleem: als we eenmaal weten wat er mis is, zullen we vanzelf anders gaan handelen. De realiteit is anders. Wij simpele niet-filosofen weten bijvoorbeeld dat minder eten en meer bewegen een adequate oplossing voor overgewicht is, maar we belanden toch elke avond weer met een zak chips voor de tv.

Serieus geluk

De psychologie lijkt beter opgewassen tegen de taak om ons gevoel en gedrag te veranderen. Het onderzoek naar doelen stellen en het trainen van zelfdiscipline is bijvoorbeeld al zover gevorderd dat de resultaten onmiskenbaar zijn. En ook praktische manieren om je geluk te vergroten zijn het stadium van “veelbelovend” ruim gepasseerd. Het effect van meditatie op stress, piekeren en neerslachtigheid is zo duidelijk aangetoond dat zelfs Skepsis, het tijdschrift voor sceptici, er voorzichtig positief tegenover staat.

Als het er in dit land echt zo slecht aan toe is als onze intelligentsia stelt, hebben we veel behoefte aan manieren om ons gedrag en ons denken positief te beïnvloeden. Op dit moment zijn er een kleine duizend wetenschappers met dat onderwerp bezig. Het wordt tijd om te onderkennen dat zij ook wel eens iets te vertellen hebben dat voor mensen met een gezond verstand interessant kan zijn.

Wat vind jij van Brout?